Tussen muren en mogelijkheden: Vaktherapie als sleutel tot herstel

Toon Walravens vertelt openhartig over zijn levensverhaal, dat getekend is door een gewelddadige jeugd, verwaarlozing en misbruik. Deze omstandigheden leidden mede tot een leven vol criminaliteit, verslaving en diepe innerlijke worstelingen.

Tijdens zijn verblijf in de forensische zorg vond hij steun in vaktherapieën. Deze vormen van therapie hielpen hem om zijn emoties beter te begrijpen, zijn gedrag onder controle te krijgen en zich bewuster te worden van diepgewortelde patronen. Vaktherapie bleek daarin essentieel: het brak de muur rond zijn gevoelens langzaam af en opende de weg naar herstel en persoonlijke groei. 

Tegenwoordig is Toon werkzaam als beleidsadviseur en organisatiecoach bij KL-IK te Sittard, een organisatie die mensen ondersteunt die tijdelijk of langdurig moeite hebben met zelfstandig functioneren. Hij is een ervaringsdeskundig ambassadeur met een mooie staat van dienst in de geestelijke gezondheidszorg, non-profitorganisaties, forensische psychiatrie, coaching, crisisinterventie en crisiscommunicatie. Toon was, en is, ook  betrokken bij verschillende onderzoeken naar vaktherapie in de forensische zorg.

Afbeelding: Toon Walravens anno nu

Hoe is het begonnen met jou, in jouw leven?
Veiligheid is cruciaal bij de start van je leven, maar ik greep mis. Mijn ouders waren niet in staat hun kinderen goed op te voeden of te geven wat we nodig hadden: liefde, aandacht, betrokkenheid. Thuis was er veel geweld: verbaal én fysiek. Mijn vader deed een suïcidepoging nadat mijn moeder ons verliet. Ze liet vier kinderen achter bij een man die emotioneel onvolwassen was. Hij kwam zelf uit een gezin van veertien kinderen, werkte al op zijn veertiende in de Limburgse mijnen. Alles wat hij verdiende moest naar opa, een alcoholist. Als hij protesteerde, werd hij mishandeld. Mijn moeder kwam ook uit een groot gezin, maar zij kon ons ook niet bieden wat we nodig hadden.

Sommige kinderen worden geboren met zuurstofgebrek, anderen krijgen te maken met een overdaad aan ellende. Op school merkte ik hoe anders het bij anderen was: warmte, affectie, aandacht. Thuis voelde onveilig, en dus leerde ik me daaraan aan te passen: stil zijn, conflicten vermijden. Dat gedrag hielp me buiten niet verder. Toch ontwikkelde ik manieren om te overleven, maar dat ging vaak gepaard met agressie. Toen ik negen was en de juf me wilde corrigeren, wilde ik haar met een stoel slaan. Ik werd van school gestuurd. Ik begon al jong met drinken, roken en softdrugs. Rond mijn twaalfde zat ik aan de alcohol, was ik veel op straat en kwam ik in aanraking met justitie. Op mijn twaalfde werd ik uit huis geplaatst door de kinderbescherming. Ik kwam in een gesloten jeugdzorginstelling terecht. Daar leerde je snel: je zat er met 150 andere Toontjes. En daar leerden we van elkaar.

Juffrouw Bep

In de instelling ontmoette ik juffrouw Bep, een woonbegeleidster van 27 – voor mij, toen 12, leek ze oud. Zij opende de deur van mijn hart. Ze was als een surrogaatmoeder; niet gericht op waarheidsvinding, maar op ons als jongens. Samen afwassen, een boterham smeren, een verhaaltje lezen, ’s avonds nog even dag zeggen – haar oprechte aandacht maakte het verschil. Ze maakte dat ik het anders wilde, dat ik vertrouwen kon voelen. Haar nabijheid, warmte en oprechte interesse lieten me openstaan voor anderen die later in mijn leven kwamen. Zonder haar was ik misschien volledig gesloten gebleven.

Terug naar huis

Op mijn veertiende keerde ik terug naar huis, maar daar was niets veranderd. Ik had wel geleerd te voelen, dankzij juffrouw Bep, maar thuis moest dat gevoel weer uit. Affectie tonen was zwak. Ik kreeg een olifantshuid, maar bleef vanbinnen wel roze. 

Thuis viel ik snel terug in oude patronen: straat, blowen, oude vrienden. Ik had veel relaties, maar kon geen liefde toelaten. Ik was charmant, niet dom, viel op in het uitgaansleven. Maar er was veel geweld. Uiteindelijk belandde ik voor buitenproportioneel geweld in de jeugdgevangenis.

In de jeugdgevangenis

De wereld voelde door en door slecht. Maar ik wist me altijd staande te houden. Mijn slimmigheid heeft me vaak gered, want fysiek was ik niet de sterkste.

Na vrijlating kwam ik weer thuis. Niks was veranderd, en ik eigenlijk ook niet. Alleen slimmer – in verkeerde dingen. Ik kreeg een relatie, we kregen een dochter. Onder invloed was ik agressief, gevaarlijk. Met cocaïne voelde ik me onaantastbaar. Dat kostte me opnieuw vrijheid.

Een ex-vriendin zei: “Toon, jij hebt ernstige psychiatrische problemen. Als je zo doorgaat, ga je dood of pleeg je zelfmoord” (Afbeelding 2. ‘Steeds dieper onder water’). Die woorden bleven hangen. Ik dacht er een maand over na en meldde me aan bij een verslavingskliniek. Ik werd ingesteld op antidepressiva. Dat gaf rust, maar ik trok me ook steeds meer terug. En hoe helderder mijn geest werd, hoe heftiger het werd. Ik begon terug te kijken… en toen kwam alles naar boven. Ook het seksueel misbruik op mijn 14e, door iemand hoger in het criminele circuit. Ik had er nooit over gesproken. Uiteindelijk kwam ik terecht in een psychiatrisch justitieel ziekenhuis. Dysthyme depressie, stemmingswisselingen, trauma. Ik kreeg gesprekken, maar echte therapie bleef uit.

Forensische zorg en de ervaring met de verschillende vaktherapieën

Uiteindelijk hebben ze ervoor gekozen mij over te plaatsen naar de Woenselse Poort. Daar is mijn echte behandeling begonnen. Ik vond het heel lastig om het over alles te hebben.

Ik ben daar tien jaar in behandeling geweest. Het eerste jaar gedwongen. Daar ben ik begonnen met schemagerichte therapie en vaktherapie. Mijn emoties waren echt een gesloten boek. Ik kon er niet goed bij komen. Ik vond het ook akelig. Ik vond het spannend. Ik vond het eigenlijk maar niks om het daarover te hebben. Ik dacht van, als ik daaraan moet beginnen, waar kom ik dan uit? Wat levert het me op? Wat brengt het me?

Mijn muziektherapeute had ook, net als juffrouw Bep, dat veilige over zich. Het veilige was ook dat zij niet meteen begon te zoeken naar de waarheidsbevinding. Die was al gedaan volgens haar. Ze vroeg aan mij wat voor muziek ik leuk vond. En daar ging ze dieper op in; waarom ik die zanger of zangeres zo geweldig vond.

Weet je nog welke muziek je noemde?
Ik noemde Frank Boeijen, vooral De Storm en De Verzoening. Zijn teksten sloten aan bij mijn verhaal en hielpen me woorden te vinden voor mijn gevoel. Samen met mijn therapeut luisterde ik, en daarna bespraken we wat het met me deed. Ik durfde me steeds iets meer te openen, ook over het misbruik. Ze vroeg: “Als je deze muziek hoort en terugdenkt aan toen, wat voel je dan?” Ik kreeg tranen in mijn ogen en leerde mijn emoties beter toelaten.

Heb je ook zelf actief muziek gemaakt?
Ja, ik heb zelf actief muziek gemaakt in de therapie. Al snel merkte ik dat het me afleidde én nieuwsgierig maakte. Bewegen, geluid maken, iets dóén – dat bracht iets in gang. De muziektherapeut daagde me uit: “Trommel er maar eens op los als je boos bent.” En dan voelde ik die negatieve energie loskomen. De kracht verdween langzaam uit mijn armen, maar ook die opgebouwde spanning verliet mijn lijf. Het gaf ruimte in mijn hoofd.

Via het spel leerde ik emoties herkennen, uiten en reguleren. Het gaf me vertrouwen om ook bij andere therapieën meer van mezelf te laten zien.

In psychomotorische therapie (PMT) sloot de beweging goed aan bij wat ik al in de muziektherapie had ervaren. In het begin wilde ik daar niet naartoe – het voelde te confronterend. Maar ik leerde dat het juist krachtig is om op tijd te begrenzen, om stil te staan bij wat je voelt in je lijf en je hoofd.

En die bewustwording, dat verschil tussen reactie en actie, tussen gevoel en geweten, dát is wat me nu helpt. Want jongens als ik – en meiden trouwens ook – hebben vaak nooit geleerd wat gezonde grenzen zijn. In vaktherapie leer je daar stap voor stap bij stil te staan. Je leert weer contact te maken met je gevoel, je geweten te activeren en stap voor stap terug te keren naar jezelf.

Hoe waren je verdere ervaringen met andere vormen van vaktherapie?
Ik had ook beeldende therapie. Ik tekende niet snel iets uit mezelf, ik tekende altijd iets na. En uiteindelijk kon ik ook best goed tekenen. En ik dacht van, hé, ik word daar goed in. En ik had er nog plezier in ook. En ik bouwde iets van zelfvertrouwen daarbij op. Ik maakte iets waar ik trots op was. Het ging uiteindelijk niet om het eindresultaat. De beeldend therapeut bevestigde mij ook in de dingen die ik deed. 

Afbeelding: Toon met zijn beeldend werk​​​​​​

Afbeelding: Toon met zijn beeldend werk​​​​​​


Het herinnerde me ook wel aan het boekje wat juffrouw Bep al voorlas. Het ging ook over een jongetje, weet je wel, een verhaal maakte ze daarvan. En die dingen kwamen wel allemaal in mijn hoofd terug. En het haalde eigenlijk ook de mooie herinneringen op. Ik had veel te veel slechte dingen meegemaakt. Ik kon er wel mijn gevoelens en gedachten in kwijt. Het tekenen was een middel om dichter bij mezelf te komen. Dat had ik nooit gedacht.

In schematherapie ben ik wel meer de diepte ingegaan, met herinneringen aan vroeger. Maar zonder de vaktherapie vooraf was dat een stuk lastiger geweest. Drama en rollenspel vond ik heel erg vervelend. Toch leerde ik mezelf daar wel meer kennen.

En wat vond je daar vervelend aan?
Dan moest ik iets uitbeelden, een situatie of zo. En daar moest ik dan ook gevoelens bij laten zien. Een soort van gezichtsuitdrukkingen vroeg ze dan ook. En dat vond ik lastig, want als je mij iets vroeg van ‘hoe was dat dan in jouw jeugd?’…

Ik had eigenlijk heel weinig mooie momenten. Die moest ik echt gaan zoeken. En ik wilde eigenlijk ook niet naar die tijd terug. Het waren altijd vervelende dingen. Ze nodigde me uit iets daarvan uit te beelden en vroeg dan ‘hoe voelt dat dan voor je?’. Ik praatte eigenlijk niet graag over mijn eigen gevoelens, maar als ik iets uitbeeld, dan heb ik het tegelijkertijd gewoon over mezelf.

Als ik die vaktherapie niet gedaan had — drama, muziek, creativiteit — dan was ik hoogstwaarschijnlijk nooit aan schematherapie begonnen.

Dus vaktherapie was daarbij belangrijk voorwerk?
Ja, ik had een zachte landing nodig, anders was het veel te zwaar. Door de vaktherapie opende ik zelf steeds meer mijn eigen gevoelens. De muurtjes waren nog niet weg, maar vaktherapie had het cement tussen de stenen uitgekrast. En de muurtjes begonnen in te zakken. Dan zat ik tv te kijken naar Het kleine huis op de prairie. Nou, dat was me een tranentrekker. Ik zat met een theedoek in mijn handen. Alles wat ik daar zag raakte me, ik was zo open, zo kwetsbaar. Dat was in die tijd met vaktherapie. De hoofdbehandelaar indiceerde me vervolgens voor schematherapie. Dat ben ik toen aangegaan en daarnaast kon ik gebruik maken van vaktherapie.

Ja, dat kan juist heel mooi parallel aan elkaar werken. Schematherapie was intensief en ik leerde me vast te houden aan een veilig beeld tijdens geleide fantasie. De schematherapeut zei: ‘In jou zit een klein Toontje. Die zit alle kanten op te schoppen. En vanuit daar reageer jij.’ Hij zei: ‘Daar moet je voor leren zorgen. Dat dat kleine mannetje zich veilig voelt.’ Het was een zware periode met de combinatie van schematherapie en vaktherapie en met het oefenen buiten. Maar ik heb de ruimte gekregen.

Wat is jouw advies voor vaktherapie in de forensische zorg?
Laat het verhaal van de cliënt leidend zijn. Ga op zoek naar het gevoel achter het gedrag. Mensen in forensische klinieken komen vaak uit een systeem waarin ze constant moeten scannen op gevaar. Zelfs in een cel voel je de dreiging – de enige vrijheid is de gesloten deur, waarbinnen je even jezelf kunt zijn. Daar zag ik mensen tekenen, schrijven, muziek luisteren – pure creativiteit in die beperkte vrijheid.

Als mensen in de kliniek komen dan wordt gedacht dat ze meteen een hulpvraag hebben. Ja, vergeet het maar. Mensen observeren eerst, voelen zich niet meteen veilig. Het is belangrijk om met hen in gesprek te gaan: wat heb je nodig? Wat mis je? Wat zou je willen? Iets onder dwang opleggen werkt niet. Geef tijd en ruimte, laat mensen naar zichzelf toe groeien. Alle mogelijkheden zitten niet in ons als begeleiders, maar in de cliënt. Wij zijn passanten – hoe zorgen we dat we de juiste passant zijn?

Vaktherapie biedt unieke ruimte binnen de strakke kaders van de forensische zorg. Het geeft cliënten de kans om gevoelens te uiten waar woorden tekortschieten. Het medium biedt vrijheid, binnen veilige grenzen. Daar kunnen mensen boosheid of verdriet omzetten in creatie. Dáár ontstaat iets. Vaktherapeuten hebben vaak een oprechtheid, energie en een natuurlijke benadering. Laat vaktherapeuten hun werk doen in een veilige, vrije ruimte waar echt contact kan ontstaan. Dat is waar groei begint. Creativiteit opent de geest. En ik geloof echt: met alleen gesprekken was ik er nooit gekomen. Juist in vaktherapie vond ik de ruimte om te voelen en te verwerken.

Wat heeft geholpen bij jouw herstel?
Wat mij heeft geholpen was niet één ding. Het waren de gesprekken, de medicatie, maar vooral ook de vaktherapie – en de samenhang tussen alles. Bij vaktherapie kon ik alles kwijt zonder dat het eruit getrokken hoefde te worden. Het kwam vanzelf. Die vrije ruimte voelde anders dan behandeling, terwijl het dat natuurlijk wel is.

Het zat ook in het contact van mens tot mens. De therapeut ging naast me staan, soms zelfs met persoonlijke voorbeelden. Dat hielp me te voelen: jouw verdriet, jouw onmacht is niet vreemd. Je hebt er alleen nooit mee leren omgaan. 
In vaktherapie kun je van alles doen – spelen, bewegen, creëren – dingen die op het eerste gezicht gewoon leuk lijken, maar ondertussen zoveel losmaken. En juist die leuke dingen bleken belangrijk. Ze brachten me in beweging, lieten me voelen en hielpen me herstellen. Ze waren niet apart van de behandeling, ze waren de behandeling.



Auteur: Suzanne Haeyen. Interview uit het Tijdschrift voor vaktherapie, jaargang 22, nummer 2 in 2026. 

Download hier het pdf.


Vaktherapie is een behandelvorm voor mensen met een psychische aandoening of psychosociale problematiek. Voorbeelden hiervan zijn angstklachten, gedragsproblemen, trauma of verliesverwerking.

De term ‘vaktherapie’ is de overkoepelende naam voor beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie.

Bij vaktherapie ligt de nadruk meer op het doen en ervaren en minder op het praten. Door gerichte oefeningen en werkvormen kun je jouw problematiek onderzoeken en jouw emoties en gedachten daarbij vormgeven. Door de ervaringen die je bij deze werkvormen opdoet, werk je aan bewustwording en kun je nieuwe inzichten verwerven. Je kunt bijvoorbeeld leren om op andere manieren te reageren op situaties of gevoelens. Zo kun je nieuwe mogelijkheden ontdekken en vaste patronen doorbreken.

In sommige gevallen ligt de nadruk van de therapie op het oplossen van het probleem, in andere gevallen ligt de nadruk meer op de acceptatie ervan of op het beperken van de gevolgen van een aandoening.

Vaktherapeuten zijn werkzaam binnen instellingen in de somatische en geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, justitiële instellingen, speciaal onderwijs, vluchtelingenzorg en welzijnsinstellingen. Ook zijn er vrijgevestigde vaktherapeuten met een eigen praktijk.

Onderstaande video van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen geeft een beeld van wat vaktherapie kan betekenen bij verschillende problematieken. Cliënten met verschillende problematieken vertellen wat vaktherapie heeft betekend.


    


Bij de Universiteit van Nederland geven Nederlandse topwetenschappers gratis college op internet, radio en televisie. Hoogleraar Vaktherapie Susan van Hooren heeft hier ook een college gegeven waarin ze meer vertelt over vaktherapie en antwoord geeft op de vraag of je een depressie weg kunt dansen. Bekijk hier het college (15 minuten). 

De term ‘vaktherapie’ is de overkoepelende naam voor beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie.

In beeldende therapie wordt gebruikgemaakt van verschillende werkvormen, technieken en materialen. Je kunt bijvoorbeeld tekenen, schilderen, werken met hout, klei of steen, of met digitale middelen. Bij beeldende therapie maak je vaak een concreet werkstuk, waar je afstand van kan nemen of waar je naar kunt terugkijken. 

Dans- en bewegingstherapie gaat ervan uit dat psychische en emotionele klachten te zien zijn in het lichaam en de bewegingen van de cliënt. Een danstherapeutische behandeling kan zich bijvoorbeeld richten op het reguleren van jouw emoties en het vergroten van jouw veerkracht. Door verschillende dansvormen en bewegingen kun je gevoelens, gedrag en gedachten verkennen en ermee experimenteren. 

In dramatherapie wordt methodisch gewerkt met onder andere rollenspel, improvisatie, verhalen maken en psychodramatechnieken. Bij dramatherapie heb je de mogelijkheid om in een veilige spelomgeving te oefenen met ander gedrag door middel van verschillende rollen. Je kunt onder andere leren gevoelens te herkennen en op verschillende manieren te uiten, of grenzen aan te geven.

In muziektherapie wordt gewerkt met melodie, ritme, harmonie en tekst. Dat kan zowel actief, door middel van zelf muziek maken, of receptief, door het luisteren naar en ervaren van muziek. Muziektherapie kan je onder andere helpen bij het verbeteren van sociale en communicatieve vaardigheden, het uiten van emoties, en bij het verbeteren van motoriek, taal of spraak.

In psychomotorische therapie ligt de nadruk op de lichaamsbeleving en het bewegingsgedrag. Door middel van gerichte bewegings- en spelopdrachten kun je oefenen, ervaren en ontdekken welke invloed beweging heeft op jouw lichaam en geest. Dit helpt bij het herkennen en begrijpen van je lichaamssignalen, gevoelens en gedragspatronen.

Psychomotorische kindertherapie wordt gekenmerkt door een ontwikkelingsgerichte manier van werken die aansluit bij de belevingswereld van het kind. De therapeut maakt gebruik van lichaamsgericht spel, bewegings- en spelmaterialen. Het kind kan zich uiten zonder dat woorden nodig zijn en spelenderwijs andere gedragspatronen ontwikkelen. 

Speltherapie is een vorm van psychotherapie voor kinderen waarbij spel als middel gebruikt wordt om kinderen te begrijpen en te helpen. De therapeut volgt het kind in zijn spel en brengt onder woorden wat er gebeurt. Spel is de taal van het kind; door spel kan het kind gevoelens uiten, ervaringen verwerken en experimenteren met nieuw gedrag.

Bij vaktherapie ligt de nadruk vooral op het doen en ervaren, minder op het praten. Vaktherapie sluit hierdoor goed aan wanneer je het liefst op een ervaringsgerichte manier met jouw problemen aan het werk gaat. Vaktherapie is geschikt voor kinderen die nog te jong zijn om er goed over te praten, of voor mensen waarbij gesproken communicatie niet makkelijk gaat. Maar het kan ook dat het probleem te veelomvattend of beladen voor je is om er over te praten. Ook kan het zo zijn dat je in andere behandelingen hebt gemerkt dat het praten jou niet afdoende verder helpt. Soms roept een beeld, een scène of een handeling meer op dan woorden kunnen doen.

Je hoeft niet ervaren of goed te zijn in de vorm van vaktherapie die je kiest. Zo hoef je bijvoorbeeld niet muzikaal te zijn om baat te hebben bij muziektherapie of sportief aangelegd voor psychomotorische therapie.

Twijfel je of vaktherapie aansluit bij jou of jouw kind? Dit kun je altijd vooraf overleggen. 

Er is ook een keuzehulp Vaktherapie ontwikkeld. Deze is gebaseerd op de zorgstandaard Vaktherapie. Je kunt de vragen in de keuzehulp digitaal invullen, eventueel samen met je behandelaar, verwijzer of iemand uit jouw omgeving. Door het invullen van de vragen wordt duidelijk of vaktherapie bij je past en welke vorm. In principe kunnen alle vormen van vaktherapie helpen nieuwe ervaringen op te doen en stappen te zetten naar verbetering.

Naar de keuzehulp.

Vaktherapeuten helpen naast volwassenen en ouderen ook jeugd. Het kan hierbij om verschillende hulpvragen gaan. Hieronder hebben we dit samengevat.

Uit hoeveel sessies bestaat een behandeling?

Er zijn veel verschillende soorten problematiek en behandeldoelen binnen vaktherapie. Daarom kan het aantal sessies per behandeling sterk verschillen. Er bestaan kortdurende, klachtgerichte behandelingen van een beperkt aantal sessies. Bij een inzichtgevende behandeling, waarbij gekeken wordt naar de aard en de oorzaken van problematiek, kan de behandeling langer duren; van een paar maanden tot ongeveer een jaar. Tot slot zijn er behandelingen die zich richten op het leren omgaan met problematiek en het voorkomen dat de problemen verergeren. Deze behandelingen duren zo lang als nodig of wenselijk. De vaktherapeut zal samen met jou afspreken wat de doelstelling van de behandeling wordt.
 

Krijg ik vaktherapie individueel of in een groep?

Vaktherapie kan zowel individueel als in groepen plaatsvinden. Dit is afhankelijk van de aard van de problematiek en van het aanbod van een therapeut of instelling. In sommige gevallen zal de start van een behandeling individueel zijn, waarbij later overgegaan wordt naar een groep. Jouw wensen en belangen hierin worden altijd meegewogen door de vaktherapeut. Er zijn ook behandelingen speciaal voor echtparen en gezinnen.
 

Waar heb ik de vaktherapie?

Vaktherapie vindt meestal plaats binnen een ggz-instelling, somatische instelling of school, of bij een vrijgevestigde vaktherapeut. In sommige gevallen kan de vaktherapeut ook bij jou langskomen, bijvoorbeeld als je niet mobiel bent of als het van belang is de cliënt in de thuissituatie te zien en te behandelen.
 

Moet ik iets meenemen of voorbereiden?

Je hoeft in principe niets voor te bereiden, maar het kan voor jezelf handig zijn om vooraf op te schrijven wat je wilt vragen of zeggen, zodat je bij het eerste gesprek niets vergeet.

In sommige gevallen is de soort vaktherapie al bepaald door het aanbod van de instelling. Als je de keus hebt tussen meerdere vormen van vaktherapie, dan kun je kijken met welke discipline jij de meeste affiniteit hebt. Merk je dat bewegen jou goed doet? Dan is psychomotorische therapie of dans- en bewegingstherapie misschien een goede behandelvorm voor jou. Kun je erg geraakt worden door muziek, dan zou muziektherapie wellicht passend zijn. Houd voor ogen dat je niet bedreven hoeft te zijn in de discipline die je kiest. Het gaat in vaktherapie meer om het proces en de ervaring dan om een ‘mooi’ of ‘goed’ resultaat. De vaktherapeut probeert met het aanbod zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de mogelijkheden en wensen van de individuele cliënt.

Er is ook een keuzehulp Vaktherapie ontwikkeld. Deze is gebaseerd op de zorgstandaard Vaktherapie. Je kunt de vragen in de keuzehulp digitaal invullen, eventueel samen met je behandelaar, verwijzer of iemand uit jouw omgeving. Door het invullen van de vragen wordt duidelijk of vaktherapie bij je past en welke vorm. In principe kunnen alle vormen van vaktherapie helpen nieuwe ervaringen op te doen en stappen te zetten naar verbetering.

Naar de keuzehulp.

Of je een verwijsbrief nodig hebt, hangt af van waar je vaktherapie wilt volgen. Vraag hiernaar bij de vaktherapeut. Hij kan je hierover meer informatie geven. 

Dit hangt af van jouw persoonlijke situatie. Wanneer je vaktherapie krijgt binnen een ggz-instelling of een ziekenhuis, dan vergoedt je basisverzekering de kosten. In de meeste andere gevallen zal het afhangen van jouw aanvullende verzekering of vaktherapie vergoed wordt. Raadpleeg jouw polisvoorwaarden, neem contact op met jouw zorgverzekering of kijk op de website van Zorgwijzer.nl voor meer informatie over de vergoeding van vaktherapie bij de verschillende zorgverzekeraars. In sommige gevallen krijg je vaktherapie vergoed vanuit je persoonsgebonden budget (PGB), de gemeente of jouw werkgever. 

Alle zeven beroepsverenigingen voor de verschillende vaktherapeutische beroepen werken samen in Vaktherapie Nederland. Vaktherapeuten die zijn aangesloten bij een van deze beroepsverenigingen handelen vanuit een gezamenlijke beroepscode en hebben minimaal een erkende hbo-opleiding afgerond.

Vaktherapie Nederland kent een eigen beroepsregister: het Kwaliteitsregister Vaktherapie. Geregistreerde vaktherapeuten hebben een supervisietraject afgerond en beschikken over voldoende werkervaring. Daarnaast stelt dit register eisen aan nascholing en intervisie. Een overzicht van alle geregistreerde vaktherapeuten is te vinden op de website van het Kwaliteitsregister Vaktherapie

Zoek je een vrijgevestigde vaktherapeut bij jou in de buurt? Kijk dan hier. Al deze vaktherapeuten zijn geregistreerd in het Kwaliteitsregister Vaktherapie, zijn aangesloten bij een beroepsvereniging, hebben een klachtenregeling, kunnen een geldige VOG overleggen en doen mee aan een erkend visitatieprogramma.

Hoe vervelend ook, het kan voorkomen dat je als cliënt ontevreden bent over de behandeling van de vaktherapeut en een klacht wilt indienen. Het is afhankelijk van de situatie hoe dit traject er uit zal zien.  
 

Werkt de vaktherapeut bij een instelling?

In dit geval heb je te maken met de klachtenprocedure van de organisatie. Vaak kun je deze op de website van de organisatie terug vinden. Kun je geen klachtenprocedure terug vinden, neem dan contact op met de betreffende organisatie.
 

Gaat het om een vrijgevestigde vaktherapeut en gaat het om geïndiceerde zorg in het kader van de Wet Jeugdzorg of de WMO?

In dit geval betaal je niet zelf voor de therapie, maar vergoedt de gemeente deze.

Als de vaktherapeut lid is van een beroepsvereniging die bij Vaktherapie Nederland is aangesloten dan maakt hij gebruik van de Vaktherapie Nederland-klachtenregeling. Dit kun je navragen bij de therapeut. De klachtencommissie van Vaktherapie Nederland behandelt dan jouw klacht en bekijkt of de therapeut zich gehouden heeft aan de beroepscode en andere normen die op de beroepsuitoefening van toepassing zijn.

Je kunt een klacht indienen door een mail te sturen naar klacht@vaktherapie.nl of een brief naar Vaktherapie Nederland, Stationsplein 127, 3818 LE Amersfoort. Geef hierin een duidelijke omschrijving van de klacht inclusief plaats en tijdstip, jouw contactgegevens en de gegevens van de therapeut waar het om gaat. De klachtencommissie vraagt de vaktherapeut als beklaagde om schriftelijk te reageren op jouw klacht. Desgewenst kan de commissie getuigen horen, meer informatie inwinnen en een hoorzitting organiseren. De uitspraak volgt binnen 6 maanden. De commissie kan disciplinaire maatregelen opleggen als de betreffende therapeut zich strijdig met de normen heeft gedragen.
 

Gaat het om een vrijgevestigde vaktherapeut en NIET om geïndiceerde zorg in het kader van de WMO of de Wet Jeugdzorg?

In dit geval betaal je zelf voor de therapie of krijg je een deel vergoed vanuit jouw aanvullende zorgverzekering. In deze situatie geldt de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg. Als je als client ontevreden bent over de dienstverlening van de vaktherapeut, dan is de eerste stap om dit kenbaar te maken bij de vaktherapeut. Hij zal eerst proberen er met jou uit te komen. Lukt dit niet of wil jij dit niet, dan kun jij als cliënt naar de klachtenfunctionaris stappen. De vaktherapeut is verplicht om jou erop te wijzen wie zijn klachtenfunctionaris is. Deze klachtenfunctionaris geeft jou als klager gratis advies over het indienen en formuleren van de klacht. Uit de praktijk blijkt dat een gesprek tussen jou als cliënt en de vaktherapeut het beste werkt. Maar soms helpt ook de bemiddeling van een klachtenfunctionaris niet en ben jij nog steeds ontevreden. Je kunt dan de stap maken naar de geschilleninstantie. Deze geschilleninstantie is onafhankelijk en komt uiteindelijk tot een bindende uitspraak. Hier dien jij je aan te houden, maar ook de vaktherapeut. Eventueel kan de geschilleninstantie een schadevergoeding toekennen. Jouw klacht dient binnen 6 weken afgehandeld te zijn.